Tijdens de buddycheck kijken veel duikers naar de naald van hun manometer en die van hun buddy, maar zonder écht te registreren hoeveel gas er precies is. Vraag na afloop van de check hoeveel lucht zij of hun buddy hebben, en je krijgt vaak een blanco blik. Het is “ongeveer goed” — en daar blijft het bij. Maar ‘ongeveer’ is een slechte basis voor veiligheid.
Gasplanning is veel meer dan checken of je fles vol is. Het gaat over bewustzijn, voorbereiding, en kunnen anticiperen op situaties die je liever niet meemaakt. Zeker in de recreatieve duikwereld wordt dit aspect vaak onderschat. En juist daar valt veel winst te behalen.
Het grootste misverstand: plannen voor het ideale scenario
Wat ik vaak zie, is dat gasplanning uitsluitend gebaseerd wordt op het ideale scenario. Een rechte duik naar beneden, twintig minuten genieten op diepte, en dan weer rustig naar boven. Maar wat als het anders loopt? Wat als je buddy out of air is? Wat als je even moet zoeken naar het opstijgpunt? Wat als je decompressie moet doen, of als er een obstakel is op de route terug?
Juist die ‘wat als’-situaties zijn waar gasplanning écht belangrijk wordt. En dat is waar het in recreatieve context vaak misgaat: er wordt nauwelijks of geen rekening gehouden met reserves, alternatieven of noodscenario’s. Terwijl een goede duiker niet alleen plant voor wat hij wíl dat er gebeurt, maar ook voor wat er kán gebeuren.
Recreatief vs technisch: verschil in mindset
In technische duiken is het vrijwel vanzelfsprekend: je plant op basis van SAC-rate, redundantie, noodprocedures en vaak met meerdere gassen. Je weet dat je geen marge hebt om het ter plekke “even te regelen”.
In de recreatieve wereld is dat besef minder vanzelfsprekend. Veel duikers vinden het prima om met 50 bar — of soms nog (veel) minder — boven te komen. Sommigen beschouwen dat als een teken van efficiëntie, terwijl het in werkelijkheid vooral een gok is.
Er is zelden een expliciet plan: geen afgesproken minimumdruk, geen rekenmoment, geen turn pressure. Je duikt, kijkt af en toe op je manometer, en komt naar boven als het “wel genoeg lijkt”. Totdat het dat ineens niet meer is.
Een goede gasplanning: wat hoort daar in?
Gasplanning is geen hogere wiskunde, maar het vraagt wel aandacht. Een goed plan bevat in elk geval de volgende elementen:
- Je eigen SAC-rate (Surface Air Consumption): weet wat je normaal verbruikt, onder verschillende omstandigheden
- Scenario’s met hogere verbruiken: als jij of je buddy gestrest is, moet je rekenen met een verhoogde SAC
- Diepte & tijd: gasverbruik stijgt logaritmisch met diepte, dus houd hier rekening mee
- Minimale gashoeveelheid: plan volgens een regel die past bij de situatie — bijvoorbeeld:
- 50 bar als absolute ondergrens (alleen in noodgevallen gebruiken)
- Rule of thirds (voor penetratie, wrak- of grottenwerk)
- Turn pressure: spreek een duidelijke druk af waarop je omkeert
- Afstemmen met je buddy: gasplanning is geen solospel, ook niet als je samen duikt
- Vraag én onthoud hoeveel lucht je buddy heeft tijdens de buddycheck — en geef je eigen druk ook actief door. Niet alleen kijken, maar ook registreren.
En nog iets: wees niet beschaamd over je verbruik. Het zegt weinig over hoe “goed” je bent. Sommige omstandigheden — koud water, slecht zicht, nieuwe uitrusting of mentale druk — zorgen gewoon voor een hoger verbruik. Dat is normaal. Maar je moet er wél op plannen.
Omstandigheden maken het verschil
Mijn eigen SAC rate is in tropisch water met een ervaren buddy een stuk lager dan tijdens een opleiding in Nederland. Duiken in de Oosterschelde of Grevelingen vraagt om een andere voorbereiding dan een funduik in Bonaire. Ook je mentale toestand speelt mee: ben je gestrest, onrustig, of juist ontspannen?
Sommige duikers houden alleen rekening met “hoe het meestal gaat”. Maar ik raad aan om altijd rekening te houden met het slechtste realistische scenario. Dat betekent ook nadenken over je flesinhoud: als je normaal een uur duikt op een 12 liter, maar je hebt toevallig een 10 liter bij je, dan moet je plan mee veranderen.
Reserve betekent reserve
Het klinkt misschien streng, maar ik meen het: je reservegas is er voor noodgevallen — niet voor een extra rondje onder water. Je moet een goede reden hebben om met minder dan je afgesproken minimumgas boven te komen.
En “we zagen nog een leuk kreeftje” is geen goede reden.
Als er iets gebeurde onder water dat een verlenging of gasverbruik veroorzaakte — prima. Maar als alles soepel ging, hoor je je aan je plan te houden. Dat is niet overdreven voorzichtig, dat is professioneel.
Concreet advies voor iedere duiker
Iedereen kan zijn gasplanning verbeteren. Je hoeft geen techduiker te zijn. Hier zijn zes simpele stappen die je direct kunt toepassen:
- Bereken en test je eigen SAC rate – in verschillende omstandigheden
- Plan je duik op papier of app, met rekenvoorbeelden
- Spreek turn pressure en minimumgas af met je buddy
- Reken met ruime marges (voor stress, onverwachte verlenging, lucht delen)
- Controleer je flesinhoud vóór de duik – en pas je plan aan als nodig
- Vraag én onthoud hoeveel lucht je buddy heeft tijdens de buddycheck
Tot slot: duik je plan
We kennen allemaal de uitdrukking: “Plan je duik, duik je plan.”
Maar veel duikers vergeten dat gasplanning daar óók onder valt. Niet alleen je route, je tijd of je maximum diepte moet in je plan zitten — ook je gas.
Een goede duiker duikt niet alleen op techniek, maar op bewustzijn. En dat bewustzijn begint bij een simpele vraag: Heb ik genoeg? Voor mezelf, voor mijn buddy, en voor het onverwachte?
Als je die vraag vol vertrouwen met ‘ja’ kunt beantwoorden, zit je goed. En dan maakt het niet uit of je op 12 meter duikt of op 40. Je bent voorbereid. En dat is uiteindelijk wat telt.
